Samenwerkendleren

 Samenwerkend leren is een werkwijze die als doel heeft de kwaliteit van het onderwijs te bevorderen. Een aantal verschillende vaardigheden worden getraind bij samenwerkend leren. Hieronder enkele basisvaardigheden voor het samenwerkend leren:

-          Om de beurt praten

-          Materiaal met elkaar delen

-          Aan de taak doorwerken tot de taak af is

-          Rustig blijven praten en werken

-          Elkaars naam gebruiken als die persoon aangesproken moet worden

-          Elkaar aankijken tijdens het praten

-          Vriendelijk op elkaar reageren

-          Een inbreng durven te geven

-          Duidelijk praten

-          Luisteren naar elkaar etc.

Tijdens het toepassen van deze vaardigheden leren de kinderen van elkaar (zowel kennis als vaardigheden). Dit kan doordat de leerling A leerling B iets voordoet, leerling A en B iets samendoen of dat leerling B leerling A nadoet (ook wel modelling genoemd).

De bovenstaande situaties (het voordoen, samendoen en nadoen) zijn leersituaties voor beide leerlingen want de leerlingen moeten hun eigen gedachte onder woorden brengen. Daarnaast leren de leerlingen argumenten te geven en door te luisteren naar de medeleerling krijgen ze nieuwe inzichten en verbindingen waarop ze hun eigen waarheid aan kunnen passen.

Verschil samenwerken en samenwerkend leren
Kinderen willen graag samenwerken. Wanneer de leerkracht een opdracht geeft waarbij samenwerken aan de orde komt, kiezen de kinderen zo snel mogelijk een vriendje of vriendinnetje uit en werken ze samen aan de opdracht.

Samenwerkend leren wordt echter ingezet om bewust te werken aan samenwerkingsvaardigheden. Samenwerkend leren biedt dus ook structuur en diepgang.

Veilig pedagogisch klimaat
Om samenwerkend leren geheel tot zijn uiting te laten komen is het belangrijk dat er een goed pedagogisch klimaat heerst in de klas. Om dit te bereiken is het verstandig voorafgaand aan het samenwerkend leren afspraken te maken over het taalgebruik, de rolverdeling en de verwachtingen van de groep en het individueel groepslid. De leerkracht kan tijdens het samenwerkend leren één vaardigheid centraal stellen zodat hij weet wat hij wil bereiken en wat hij verwacht van de kinderen.


Basiskenmerken
Het samenwerkend leren bestaat uit een vijftal kenmerken wat ervoor kan zorgen dat de leerkracht enkele handvatten heeft om samenwerkend leren toe te passen in de klas en weet hoe de opdrachten geformuleerd moeten worden.

Positieve wederzijdse verantwoordelijkheid
De kinderen moeten tijdens de opdracht het gevoel krijgen dat elk groepslid nodig is om de opdracht tot een goed resultaat te maken. ze moeten een groepsdoel stellen. Dit kan de leerkracht bereiken door een taakverdeling te maken. Daarin krijgt elk groepslid een taak wat uiteindelijk een deel is van het eindresultaat. Naast de taakverdeling kan het groepsdoel nog meer bereikt worden door de opdracht zo te maken dat materiaal en informatie gedeeld moeten worden.

Individuele verantwoordelijkheid
Naast de groepsverantwoordelijkheid is het de bedoeling dat de leerlingen individuele verantwoordelijkheid dragen. Ze moeten dus na afloop kunnen vertellen hoe het proces verliep en s wat hun eigen rol was in dat proces.

Directe interactie
De opdracht moet zo geformuleerd zijn dat elk kind uitgenodigd wordt veel te praten. Dit zorgt ervoor dat er veel kennis en ideeën uitgewisseld worden. Zo merken de leerlingen op den duur ook dat ze samen als groep meer weten dan één persoon. Zorg er wel voor dat alle leerlingen taalruimte krijgen. Maak dus duidelijke afspraken wie aan het woord is.

Aandacht voor samenwerkingsvaardigheden
Een leerkracht moet aandacht besteden aan inscholing. Inscholing zorgt ervoor dat de leerkracht bewust nadenkt en aandacht besteedt aan samenwerkingsvaardigheden. Een leerkracht kan vooraf aan het samenwerkend leren bewust stilstaan bij een te oefenen vaardigheid. Hij geeft dan aan dat deze vaardigheid na afloop beoordeeld wordt bij de leerlingen.

Evaluatie van het samenwerken
Na afloop van de opdracht kijkt de leerkracht samen met het groepje leerlingen naar het proces en het product wat ontstaan is tijdens het samenwerken. Hierbij leren de kinderen te reflecteren op het proces. Enkele vragen voor de evaluatie over de samenwerking:

-          Heeft iedereen zijn rol gehouden?

-          Wat ging goed bij de samenwerking?

-          Wat ging minder goed bij het samenwerken?

-          Wat zou je volgende keer anders gaan doen?

-          Wat heb je geleerd van de medeleerlingen? Etc.

 

 

E. Alkema, W. Tjerkstra (1995), meer dan onderwijs. Van Gorcum. Assen pagina 250,251, 161

https://www.teamonderwijs.nl/download/actualiteit/Cooperatief_leren_-_artikel.pdf 5-12-2010