Taal week 3

Lesvoorbereidingen week 3, les 1. Nederlands.
 

School: De Kameleon
Klas: 5/6
Aantal leerlingen: 

 

Les: WO
Datum:
Tijd: 40 min

Naam lesgever:

 

 

Wat kunnen/weten de leerlingen al (beginsit.):

De leerlingen weten al iets over mensen die vrijwillig verhuizen.

Verantwoording:
Samenwerkend leren: Het stencil wordt klassikaal nagekeken. De leerlingen kunnen van elkaars fouten leren.
Meervoudige intelligenties: Intra-persoonlijk, verbaallinguïstisch.
Sociaal constructivisme: Inleidend verhaaltje leerkracht en terugkoppeling naar voorkennis leerlingen.

 

Welk materiaal ga ik gebruiken:

Wat wil ik de leerlingen leren
(doelstellingen):

De leerlingen leren wat het verschil is tussen een kleine letter en een hoofdletter. Ook leren ze wanneer een kleine letter geschreven wordt en wanneer er een hoofdletter geschreven wordt.

Pen en stencil.

 

       

 

Tijd:

Activiteiten leerkracht en leerlingen:

Didactische aanwijzingen, aandachtspunten of accenten:

Organisatie

10 min.

 

 

 

 

10 min.

 

 

 

 

 

 

 

20 min.  

Inleiding:
De leerkracht legt het verschil uit tussen een kleine letter en een hoofdletter.



Kern:
Nadat de hoofdletter besproken is in de klas legt de leerkracht de opdracht uit.

 

 

 

Afsluiting:
 Het stencil wordt klassikaal nagekeken. De leerkracht gaat elke zin bij langs en legt uit waarom er wel of niet een hoofdletter geschreven moet worden.

De leerkracht vraagt aan de kinderen of ze weten wanneer een kleine letter geschreven moet worden en wanneer er een hoofdletter geschreven moet worden.

 

 

 

 De kinderen krijgen allemaal een stencil met een verhaaltje erop. Dit verhaaltje moeten ze overschrijven en op de juiste plek een hoofdletter schrijven.

 

 

 

 

Wanneer er zin voor zin wordt nagekeken, kunnen de leerlingen leren van elkaars fouten. De leerlingen lezen om de beurt hun zin op en vertellen of ze met een hoofdletter of kleine letter hebben geschreven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Er is klassikale interactie tussen kinderen en leerkracht. De kinderen zullen actief meedoen door hun vinger op te steken en het antwoord te geven.

 

 

 

 

 

 De opdracht is individueel, dus zonder overleg met de buurman of buurvrouw.

 

 

 

 

 

 

 

 De bespreking van het stencil is klassikaal waarbij iedereen meedenkt en gezamenlijk nakijkt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De hoofdletters

Schrijf de tekst over, maar let wel op de hoofdletters. Jij moet ze schrijven waar nodig. Waar schrijf je zoal een hoofdletter?

.................................................................................,

..................................................................................,

...................................................................................

 

Tekst:

elke woensdag heeft fien pianoles. juf leen zingt de noten voor. arme fien zit op de pianokruk. fien maakt geluid, maar geen muziek. tekenen, dat vindt ze fijn! later wil ze schilder worden! ssssttt.... niets verklappen! want papa is pianist in de opera. hij vindt tekenen maar niks. als fien tekent, bromt hij nors: hou op met dat krassen. heb jij echt niets beters te doen? iets leukers dan tekenen? dat bestaat niet voor fien. ze tovert een wereld op papier. een paradijs van vrolijke kleuren. juf leen begrijpt fien wel

 

_____________

_____________

_____________

_____________

_____________

_____________

_____________

_____________

 

Lesvoorbereidingen voor week 3, les 2 Nederlands.
 

School: De Kameleon
Klas: 5/6
Aantal leerlingen: 

 

Les:  Nederlands
Datum:
Tijd: 45 min

Naam lesgever:

 

 

Wat kunnen/weten de leerlingen al (beginsit.):

De kinderen kunnen al lezen en letters tellen. Het ontleden en inzicht krijgen in woorden is nog niet op het niveau dat bereikt moet worden.

 

Welk materiaal ga ik gebruiken:

Wat wil ik de leerlingen leren
(doelstellingen):

De doelstelling van deze opdracht is dat de woordenschat wordt vergroot bij de leerlingen.

Samenwerkend leren: De gaan in tweetallen te werk.
Meervoudige intelligenties: Inter-persoonlijk, verbaallinguïstisch.
Sociaal constructivisme: De leerkracht behandeld een paar woorden klassikaal. Dit doet hij met de kennis van de leerlingen.

Pen, werk- of schrijfschrift

 

       

 

Tijd:

Activiteiten leerkracht en leerlingen:

Didactische aanwijzingen, aandachtspunten of accenten:

Organisatie

15 min.

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

20 min.

 

 

 

 

 

 

10 min.

Inleiding:
De leerkracht legt uit dat er heel veel soorten woorden zijn. Er zijn woorden van 3 letters, maar ook woorden van 10 letters. Om die woorden gaat het deze les om. De leerkracht vraagt aan de kinderen wie er een heel lang woord weet.



Kern:
 Nu mogen de kinderen zelf aan de gang gaan. De leerkracht schrijft een woord op het bord, en van dat woord moeten de kinderen zoveel mogelijk andere woorden maken.

Afsluiting:
 De leerkracht gaat de woorden bij langs en vraagt aan de leerlingen hoeveel woorden ze hebben kunnen maken.


De leerkracht springt in op een aantal goedgekozen woorden door de leerlingen, en borduurt verder op deze woorden door dit te behandelen. De leerkracht gaat met de kinderen kijken of er in het lange woord ook nog andere woorden zitten. Bijvoorbeeld: speelkwartier: speel, kwart, spel, ier, lak etc.

 

 

 

 

De leerlingen hebben per woord 3 minuten de tijd. Dan komt het volgende woord op het bord te staan.
Woorden kunnen zijn:
- dierentuin
- paddenstoel
- rekenboek
- dobbelsteen
- Je eigen voornaam (van leerling).

 

 

Een aantal kinderen mogen hun woorden voorlezen.


Dit gebeurd nog klassikaal, er vind interactie plaats tussen leerkracht en leerling.

 

 




 

 

 

 

 Tijdens deze oefening werken de leerlingen in tweetallen, zodat er ook onder de leerlingen interactie plaatsvindt. Ze mogen dus zachtjes overleggen, zonder anderen te storen.

 

 

 

 

 

 

 

Kinderen zijn nog steeds in tweetallen en mogen per tweetal het antwoord geven, zodat ze meer zelfvertrouwen hebben om hun antwoord te delen/voor te lezen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lesvoorbereidingen voor week 3, les 3 Nederlands.
 

School: De Kameleon
Klas: 5/6
Aantal leerlingen: 

 

Les:  Nederlands
Datum:
Tijd: 40 min

Naam lesgever:

 

 

Wat kunnen/weten de leerlingen al (beginsit.):

 

Welk materiaal ga ik gebruiken:

Wat wil ik de leerlingen leren
(doelstellingen):

De kinderen leren hoe woorden klinken als er een medeklinker te veel of te weinig is. Ook leren de kinderen hoeveel medeklinkers er horen bij bepaalde woorden.

Samenwerkend leren: De kinderen bespreken het gemaakte werkblad met hun buurman of buurvrouw.
Meervoudige intelligenties: Intra-persoonlijk, inter-persoonlijk, verbaallinguïstisch.
Sociaal constructivisme: De leerkracht neemt verschillende voorwerpen mee en vraagt aan de leerling of zij deze voorwerpen kunnen spellen.

Werkbladen, pen/potlood

 

       

 

Tijd:

Activiteiten leerkracht en leerlingen:

Didactische aanwijzingen, aandachtspunten of accenten:

Organisatie

15 min.

 

 

 

 

 

 

 

 

15 min.

 

 

 

 

 

 

 

10 min.

Inleiding:

De leerkracht neemt verschillende voorwerpen mee. Dit moeten voorwerpen zijn met in het midden een dubbele of enkele medeklinker. Zoals appel, hamer, zonnebril etc.

 

Kern:
 De leerlingen gaan nu eerst zelf het werkblad invullen. Ze moeten worden in het meervoud zetten, en er goed op letten of er 1 of 2 medeklinkers in het midden komen te staan.

 

Afsluiting:
 De leerkracht gaat samen met de kinderen het werkblad bespreken. Om de beurt geeft hij kinderen het woord.



 

Wat gebeurd er als er opeens van 1 medeklinker 2 medeklinkers worden gemaakt. De leerkracht legt uit dat het woord dan anders gaat klinken. De leerkracht laat de voorwerpen aan de leerlingen zien en vraagt of ze weten hoe ze het moeten spellen.

 

 

 

 Zelfstandig werken, werkbladen worden laten zien en toegelicht. Eerste woord als voorbeeld gebruiken en door de leerlingen laten doen zodat ze van elkaar leren en je het niveau kunt peilen: Haar wordt haren. Heel goed!

 

 

 

 

 De leerkracht legt goed uit waarom er 1 of 2 medeklinkers in het woord staan. Ook zal hij met de kinderen bespreken hoe het woord klinkt als het een medeklinker teveel of te weinig in staat.

 



 

Centraal, zodat iedereen het kan zien. Voorwerpen mogen door de klas worden laten gaan, zodat de kinderen in de sfeer van de les komen.

 

 

 

 

 

 

Kinderen moeten de werkbladen zelfstandig invullen, zodat ze zich bewust worden van hun eigen kunnen (intra-persoonlijk) daarna controleren ze het met buurman of buurvrouw en overleggen ze met elkaar waarom hun antwoord goed of fout is (inter-persoonlijk)

 

 

 

 

 

 

 

 Klassikaal nakijken en tussendoor kunnen de kinderen even reageren onder elkaar over datgene wat ze overlegt hadden bij het controleren met elkaar twee aan twee.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zet de woorden in het meervoud

 

1

2

Haar

 

Grap

 

Boon

 

Bak

 

Banaan

 

Vlam

 

Ballon

 

Minuut

 

Uur

 

Dag

 

Waar hoort het plaatje bij? Schrijf het woord in de goede kolom.

De zwart gedrukte stippen staan voor het aantal medeklinkers.

 

○●●○

○●○