Taal week 3
Lesvoorbereidingen week 3, les 1. Nederlands.
|
School: De Kameleon |
Les: WO |
Naam lesgever: |
|
Wat kunnen/weten de leerlingen al (beginsit.): De leerlingen weten al iets over mensen die vrijwillig verhuizen.
|
Welk materiaal ga ik gebruiken: |
Wat wil ik de leerlingen leren De leerlingen leren wat het verschil is tussen een kleine letter en een hoofdletter. Ook leren ze wanneer een kleine letter geschreven wordt en wanneer er een hoofdletter geschreven wordt. |
||
|
Pen en stencil. |
|
|||
|
Tijd: |
Activiteiten leerkracht en leerlingen: |
Didactische aanwijzingen, aandachtspunten of accenten: |
Organisatie |
|
10 min.
10 min.
20 min. |
Inleiding:
Afsluiting: |
De leerkracht vraagt aan de kinderen of ze weten wanneer een kleine letter geschreven moet worden en wanneer er een hoofdletter geschreven moet worden.
De kinderen krijgen allemaal een stencil met een verhaaltje erop. Dit verhaaltje moeten ze overschrijven en op de juiste plek een hoofdletter schrijven.
Wanneer er zin voor zin wordt nagekeken, kunnen de leerlingen leren van elkaars fouten. De leerlingen lezen om de beurt hun zin op en vertellen of ze met een hoofdletter of kleine letter hebben geschreven.
|
Er is klassikale interactie tussen kinderen en leerkracht. De kinderen zullen actief meedoen door hun vinger op te steken en het antwoord te geven.
De opdracht is individueel, dus zonder overleg met de buurman of buurvrouw.
De bespreking van het stencil is klassikaal waarbij iedereen meedenkt en gezamenlijk nakijkt.
|
De hoofdletters
Schrijf de tekst over, maar let wel op de hoofdletters. Jij moet ze schrijven waar nodig. Waar schrijf je zoal een hoofdletter?
.................................................................................,
..................................................................................,
...................................................................................
Tekst:
elke woensdag heeft fien pianoles. juf leen zingt de noten voor. arme fien zit op de pianokruk. fien maakt geluid, maar geen muziek. tekenen, dat vindt ze fijn! later wil ze schilder worden! ssssttt.... niets verklappen! want papa is pianist in de opera. hij vindt tekenen maar niks. als fien tekent, bromt hij nors: hou op met dat krassen. heb jij echt niets beters te doen? iets leukers dan tekenen? dat bestaat niet voor fien. ze tovert een wereld op papier. een paradijs van vrolijke kleuren. juf leen begrijpt fien wel
_____________
_____________
_____________
_____________
_____________
_____________
_____________
_____________
Lesvoorbereidingen voor week 3, les 2 Nederlands.
|
School: De Kameleon |
Les: Nederlands |
Naam lesgever: |
|
Wat kunnen/weten de leerlingen al (beginsit.): De kinderen kunnen al lezen en letters tellen. Het ontleden en inzicht krijgen in woorden is nog niet op het niveau dat bereikt moet worden.
|
Welk materiaal ga ik gebruiken: |
Wat wil ik de leerlingen leren |
|
|
Samenwerkend leren: De gaan in tweetallen te werk. |
Pen, werk- of schrijfschrift |
|
|
|
Tijd: |
Activiteiten leerkracht en leerlingen: |
Didactische aanwijzingen, aandachtspunten of accenten: |
Organisatie |
|
15 min.
20 min.
10 min. |
Inleiding:
Afsluiting: |
De leerlingen hebben per woord 3 minuten de tijd. Dan komt het volgende woord op het bord te staan.
Een aantal kinderen mogen hun woorden voorlezen. |
Tijdens deze oefening werken de leerlingen in tweetallen, zodat er ook onder de leerlingen interactie plaatsvindt. Ze mogen dus zachtjes overleggen, zonder anderen te storen.
Kinderen zijn nog steeds in tweetallen en mogen per tweetal het antwoord geven, zodat ze meer zelfvertrouwen hebben om hun antwoord te delen/voor te lezen. |
Lesvoorbereidingen voor week 3, les 3 Nederlands.
|
School: De Kameleon |
Les: Nederlands |
Naam lesgever: |
|
Wat kunnen/weten de leerlingen al (beginsit.):
|
Welk materiaal ga ik gebruiken: |
Wat wil ik de leerlingen leren |
|
|
Samenwerkend leren: De kinderen bespreken het gemaakte werkblad met hun buurman of buurvrouw. |
Werkbladen, pen/potlood |
|
|
|
Tijd: |
Activiteiten leerkracht en leerlingen: |
Didactische aanwijzingen, aandachtspunten of accenten: |
Organisatie |
|
15 min.
15 min.
10 min. |
Inleiding: De leerkracht neemt verschillende voorwerpen mee. Dit moeten voorwerpen zijn met in het midden een dubbele of enkele medeklinker. Zoals appel, hamer, zonnebril etc.
Kern:
Afsluiting: |
Wat gebeurd er als er opeens van 1 medeklinker 2 medeklinkers worden gemaakt. De leerkracht legt uit dat het woord dan anders gaat klinken. De leerkracht laat de voorwerpen aan de leerlingen zien en vraagt of ze weten hoe ze het moeten spellen.
Zelfstandig werken, werkbladen worden laten zien en toegelicht. Eerste woord als voorbeeld gebruiken en door de leerlingen laten doen zodat ze van elkaar leren en je het niveau kunt peilen: Haar wordt haren. Heel goed!
De leerkracht legt goed uit waarom er 1 of 2 medeklinkers in het woord staan. Ook zal hij met de kinderen bespreken hoe het woord klinkt als het een medeklinker teveel of te weinig in staat.
|
Centraal, zodat iedereen het kan zien. Voorwerpen mogen door de klas worden laten gaan, zodat de kinderen in de sfeer van de les komen.
Kinderen moeten de werkbladen zelfstandig invullen, zodat ze zich bewust worden van hun eigen kunnen (intra-persoonlijk) daarna controleren ze het met buurman of buurvrouw en overleggen ze met elkaar waarom hun antwoord goed of fout is (inter-persoonlijk)
Klassikaal nakijken en tussendoor kunnen de kinderen even reageren onder elkaar over datgene wat ze overlegt hadden bij het controleren met elkaar twee aan twee. |
Zet de woorden in het meervoud
|
1 |
2 |
|
Haar |
|
|
Grap |
|
|
Boon |
|
|
Bak |
|
|
Banaan |
|
|
Vlam |
|
|
Ballon |
|
|
Minuut |
|
|
Uur |
|
|
Dag |
|
Waar hoort het plaatje bij? Schrijf het woord in de goede kolom.
De zwart gedrukte stippen staan voor het aantal medeklinkers.
|
○●●○ |
○●○ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|